Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
come home
Dad has finally come home!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
sign
He signed the contract.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
look
Everyone is looking at their phones.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
train
Professional athletes have to train every day.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
discuss
The colleagues discuss the problem.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
leave
Many English people wanted to leave the EU.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
stand up for
The two friends always want to stand up for each other.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
check
He checks who lives there.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
press
He presses the button.
drukken
Hij drukt op de knop.
use
She uses cosmetic products daily.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
complete
They have completed the difficult task.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.