Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
emménager ensemble
Les deux prévoient d’emménager ensemble bientôt.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
couper
La coiffeuse lui coupe les cheveux.
knippen
De kapper knipt haar haar.
produire
Nous produisons notre propre miel.
produceren
We produceren onze eigen honing.
manger
Les poules mangent les grains.
eten
De kippen eten de granen.
chanter
Les enfants chantent une chanson.
zingen
De kinderen zingen een lied.
causer
Trop de gens causent rapidement le chaos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
retirer
La pelleteuse retire la terre.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
tirer
Il tire le traîneau.
trekken
Hij trekt de slee.
manquer
Tu vas tellement me manquer!
missen
Ik zal je zo erg missen!
nommer
Combien de pays pouvez-vous nommer?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
se perdre
Il est facile de se perdre dans les bois.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.