Woordenlijst

Leer werkwoorden – Afrikaans

cms/verbs-webp/47062117.webp
oor die weg kom
Sy moet met min geld oor die weg kom.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
cms/verbs-webp/125385560.webp
was
Die ma was haar kind.
wassen
De moeder wast haar kind.
cms/verbs-webp/105875674.webp
skop
In vegkuns moet jy goed kan skop.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
cms/verbs-webp/121264910.webp
sny op
Vir die slaai moet jy die komkommer op sny.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cms/verbs-webp/77646042.webp
brand
Jy moet nie geld brand nie.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
cms/verbs-webp/102327719.webp
slaap
Die baba slaap.
slapen
De baby slaapt.
cms/verbs-webp/45022787.webp
doodmaak
Ek sal die vlieg doodmaak!
doden
Ik zal de vlieg doden!
cms/verbs-webp/94312776.webp
weggee
Sy gee haar hart weg.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
cms/verbs-webp/75195383.webp
wees
Jy moet nie hartseer wees nie!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
cms/verbs-webp/118765727.webp
belas
Kantoorwerk belas haar baie.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
cms/verbs-webp/43532627.webp
woon
Hulle woon in ’n gedeelde woonstel.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.