Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
oor die weg kom
Sy moet met min geld oor die weg kom.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
was
Die ma was haar kind.
wassen
De moeder wast haar kind.
skop
In vegkuns moet jy goed kan skop.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
sny op
Vir die slaai moet jy die komkommer op sny.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
brand
Jy moet nie geld brand nie.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
slaap
Die baba slaap.
slapen
De baby slaapt.
doodmaak
Ek sal die vlieg doodmaak!
doden
Ik zal de vlieg doden!
weggee
Sy gee haar hart weg.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
wees
Jy moet nie hartseer wees nie!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
belas
Kantoorwerk belas haar baie.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.