Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
alporti
La mesaĝisto alportas pakaĵon.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
validi
La vizo ne plu validas.
geldig zijn
Het visum is niet meer geldig.
kompreni
Oni ne povas kompreni ĉion pri komputiloj.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
forlasi
Turistoj forlasas la plaĝon je tagmezo.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
esplori
Homoj volas esplori Marson.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
difekti
Du aŭtoj estis difektitaj en la akcidento.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
kunlabori
Ni kunlaboras kiel teamo.
samenwerken
We werken samen als een team.
miksi
Vi povas miksi sanan salaton kun legomoj.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
esti
Vi ne devus esti malgaja!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
voli eliri
La infano volas eliri.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
voĉdoni
Oni voĉdonas por aŭ kontraŭ kandidato.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.