Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
correr
O atleta corre.
rennen
De atleet rent.
tornar-se amigos
Os dois se tornaram amigos.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
passar
Os estudantes passaram no exame.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
entrar
O metrô acaba de entrar na estação.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
gerenciar
Quem gerencia o dinheiro na sua família?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
cuidar
Nosso filho cuida muito bem do seu novo carro.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
atrasar
O relógio está atrasado alguns minutos.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
estar localizado
Uma pérola está localizada dentro da concha.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
jogar
Ele joga a bola na cesta.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
rezar
Ele reza silenciosamente.
bidden
Hij bidt in stilte.
ligar
A menina está ligando para sua amiga.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.