Woordenlijst

Leer werkwoorden – Afrikaans

cms/verbs-webp/60111551.webp
neem
Sy moet baie medikasie neem.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
cms/verbs-webp/1422019.webp
herhaal
My papegaai kan my naam herhaal.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
cms/verbs-webp/43532627.webp
woon
Hulle woon in ’n gedeelde woonstel.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
cms/verbs-webp/109588921.webp
skakel af
Sy skakel die alarmklok af.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
cms/verbs-webp/120015763.webp
wil uitgaan
Die kind wil buitentoe gaan.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
cms/verbs-webp/6307854.webp
kom na jou toe
Geluk kom na jou toe.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
cms/verbs-webp/40632289.webp
gesels
Studente moet nie tydens die klas gesels nie.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
cms/verbs-webp/118588204.webp
wag
Sy wag vir die bus.
wachten
Ze wacht op de bus.
cms/verbs-webp/106608640.webp
gebruik
Selfs klein kinders gebruik tablette.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
cms/verbs-webp/5161747.webp
verwyder
Die graafmasjien verwyder die grond.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
cms/verbs-webp/36190839.webp
veg
Die brandweer beveg die brand vanuit die lug.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
cms/verbs-webp/58292283.webp
eis
Hy eis vergoeding.
eisen
Hij eist compensatie.