Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
manki
Lin tre mankas sia koramikino.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
reveni
La bumerango revenis.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
alveni
La taksioj alvenis ĉe la haltejo.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
reveni
La hundo revenigas la ludilon.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
pasi
La mezepoka periodo pasis.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
decidi
Ŝi ne povas decidi kiujn ŝuojn porti.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
plori
La infano ploras en la banujo.
huilen
Het kind huilt in het bad.
imposti
Firmaoj estas impostitaj diversmaniere.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
dependi
Li estas blinda kaj dependas de ekstera helpo.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
enlasi
Oni neniam devus enlasi fremdulojn.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
suprentiri
La helikoptero suprentiras la du virojn.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.