Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/90554206.webp
riferire
Lei riferisce lo scandalo alla sua amica.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
cms/verbs-webp/120220195.webp
vendere
I commercianti stanno vendendo molte merci.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/1422019.webp
ripetere
Il mio pappagallo può ripetere il mio nome.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
cms/verbs-webp/83636642.webp
colpire
Lei colpisce la palla oltre la rete.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
cms/verbs-webp/120515454.webp
nutrire
I bambini stanno nutrendo il cavallo.
voeden
De kinderen voeden het paard.
cms/verbs-webp/127620690.webp
tassare
Le aziende vengono tassate in vari modi.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
cms/verbs-webp/67955103.webp
mangiare
Le galline mangiano i chicchi.
eten
De kippen eten de granen.
cms/verbs-webp/35137215.webp
picchiare
I genitori non dovrebbero picchiare i loro figli.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
cms/verbs-webp/115373990.webp
apparire
Un grosso pesce è apparso improvvisamente nell’acqua.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
cms/verbs-webp/21529020.webp
correre verso
La ragazza corre verso sua madre.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
cms/verbs-webp/106279322.webp
viaggiare
Ci piace viaggiare in Europa.
reizen
We reizen graag door Europa.
cms/verbs-webp/129002392.webp
esplorare
Gli astronauti vogliono esplorare lo spazio esterno.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.