Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/103797145.webp
contratar
La empresa quiere contratar a más personas.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
cms/verbs-webp/123648488.webp
pasar por
Los médicos pasan por el paciente todos los días.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
cms/verbs-webp/102447745.webp
cancelar
Desafortunadamente, canceló la reunión.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
cms/verbs-webp/120128475.webp
pensar
Ella siempre tiene que pensar en él.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
cms/verbs-webp/95655547.webp
dejar pasar
Nadie quiere dejarlo pasar en la caja del supermercado.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
cms/verbs-webp/122470941.webp
enviar
Te envié un mensaje.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
cms/verbs-webp/33688289.webp
dejar entrar
Nunca se debe dejar entrar a extraños.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
cms/verbs-webp/101742573.webp
pintar
Ella ha pintado sus manos.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activar
El humo activó la alarma.
activeren
De rook activeerde het alarm.
cms/verbs-webp/105623533.webp
deber
Se debería beber mucha agua.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
cms/verbs-webp/41918279.webp
huir
Nuestro hijo quería huir de casa.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
cms/verbs-webp/91367368.webp
pasear
La familia pasea los domingos.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.