Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
mis
Hy het die kans vir ’n doel gemis.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
soen
Hy soen die baba.
kussen
Hij kust de baby.
wil uitgaan
Sy wil haar hotel verlaat.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
bedank
Hy het sy werk bedank.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
trou
Minderjariges mag nie trou nie.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
doen
Jy moes dit ’n uur gelede gedoen het!
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
herinner
Die rekenaar herinner my aan my afsprake.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
stuur
Die goedere sal in ’n pakkie aan my gestuur word.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
opsy sit
Ek wil elke maand ’n bietjie geld opsy sit vir later.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
wag
Sy wag vir die bus.
wachten
Ze wacht op de bus.
ooplaat
Wie die vensters ooplaat, nooi inbrekers uit!
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!