Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
work
She works better than a man.
werken
Ze werkt beter dan een man.
monitor
Everything is monitored here by cameras.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
fire
My boss has fired me.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
have breakfast
We prefer to have breakfast in bed.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
let through
Should refugees be let through at the borders?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
look
She looks through binoculars.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
write all over
The artists have written all over the entire wall.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
lie
He often lies when he wants to sell something.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
sing
The children sing a song.
zingen
De kinderen zingen een lied.
connect
This bridge connects two neighborhoods.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
walk
He likes to walk in the forest.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.