Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
fonctionner
La moto est cassée; elle ne fonctionne plus.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
s’habituer
Les enfants doivent s’habituer à se brosser les dents.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
causer
Trop de gens causent rapidement le chaos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
compléter
Peux-tu compléter le puzzle ?
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
être
Tu ne devrais pas être triste!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
manger
Les poules mangent les grains.
eten
De kippen eten de granen.
récolter
Nous avons récolté beaucoup de vin.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
envoyer
Je t’ai envoyé un message.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
publier
La publicité est souvent publiée dans les journaux.
publiceren
Reclame wordt vaak in kranten gepubliceerd.
accoucher
Elle va accoucher bientôt.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
inviter
Nous vous invitons à notre fête du Nouvel An.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.