Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
oppbevare
Jeg oppbevarer pengene mine i nattbordet.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
venne seg til
Barn må venne seg til å pusse tennene.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
blande
Ulike ingredienser må blandes.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
nekte
Barnet nekter maten sin.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
dra
Han drar sleden.
trekken
Hij trekt de slee.
bli
De har blitt et godt lag.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
gå sakte
Klokken går noen minutter sakte.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
gå seg vill
Det er lett å gå seg vill i skogen.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
sitte
Mange mennesker sitter i rommet.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
tåle
Hun kan ikke tåle sangen.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
transportere
Lastebilen transporterer varene.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.