Woordenlijst
Leer werkwoorden – Duits
aufschreiben
Du musst dir das Passwort aufschreiben!
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
erzählen
Sie hat mir ein Geheimnis erzählt.
vertellen
Ze vertelde me een geheim.
weglaufen
Alle liefen vor dem Feuer weg.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
sprechen
Im Kino sollte man nicht zu laut sprechen.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
drücken
Er drückt auf den Knopf.
drukken
Hij drukt op de knop.
prüfen
Der Mechaniker prüft die Funktionen des Autos.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
empfangen
Ich kann ein sehr schnelles Internet empfangen.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
fordern
Er fordert Schadensersatz.
eisen
Hij eist compensatie.
drannehmen
Meine Lehrerin nimmt mich oft dran.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
beschützen
Kinder muss man beschützen.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
herumfahren
Die Autos fahren im Kreis herum.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.