Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/96061755.webp
servire
Oggi lo chef ci serve personalmente.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
cms/verbs-webp/63868016.webp
restituire
Il cane restituisce il giocattolo.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
cms/verbs-webp/97593982.webp
preparare
Una deliziosa colazione è stata preparata!
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
cms/verbs-webp/122153910.webp
dividere
Si dividono le faccende domestiche tra loro.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
cms/verbs-webp/109766229.webp
sentire
Lui si sente spesso solo.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
cms/verbs-webp/71612101.webp
entrare
La metropolitana è appena entrata nella stazione.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
cms/verbs-webp/102823465.webp
mostrare
Posso mostrare un visto nel mio passaporto.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
cms/verbs-webp/115113805.webp
chiacchierare
Chiacchierano tra loro.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/112408678.webp
invitare
Vi invitiamo alla nostra festa di Capodanno.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
cms/verbs-webp/68561700.webp
lasciare aperto
Chi lascia le finestre aperte invita i ladri!
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
cms/verbs-webp/121820740.webp
iniziare
Gli escursionisti hanno iniziato presto la mattina.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
cms/verbs-webp/47802599.webp
preferire
Molti bambini preferiscono le caramelle alle cose sane.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.