Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
vote
One votes for or against a candidate.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
park
The cars are parked in the underground garage.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
see
You can see better with glasses.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
paint
He is painting the wall white.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
close
She closes the curtains.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
imagine
She imagines something new every day.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
spend the night
We are spending the night in the car.
overnachten
We overnachten in de auto.
pay
She pays online with a credit card.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
hear
I can’t hear you!
horen
Ik kan je niet horen!
import
We import fruit from many countries.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
walk
The group walked across a bridge.
wandelen
De groep wandelde over een brug.