Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/73880931.webp
limpiar
El trabajador está limpiando la ventana.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
cms/verbs-webp/119520659.webp
mencionar
¿Cuántas veces tengo que mencionar este argumento?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
cms/verbs-webp/81986237.webp
mezclar
Ella mezcla un jugo de frutas.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
cms/verbs-webp/120762638.webp
decir
Tengo algo importante que decirte.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
cms/verbs-webp/102238862.webp
visitar
Una vieja amiga la visita.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
cms/verbs-webp/121928809.webp
fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
cms/verbs-webp/131098316.webp
casar
A los menores no se les permite casarse.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
cms/verbs-webp/124458146.webp
dejar
Los propietarios me dejan sus perros para pasear.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
cms/verbs-webp/111892658.webp
entregar
Él entrega pizzas a domicilio.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
cms/verbs-webp/112444566.webp
hablar con
Alguien debería hablar con él; está muy solo.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
cms/verbs-webp/45022787.webp
matar
Voy a matar la mosca.
doden
Ik zal de vlieg doden!
cms/verbs-webp/130814457.webp
añadir
Ella añade un poco de leche al café.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.