Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/107299405.webp
demander
Il lui demande pardon.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
cms/verbs-webp/106203954.webp
utiliser
Nous utilisons des masques à gaz dans l’incendie.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
cms/verbs-webp/77646042.webp
brûler
Tu ne devrais pas brûler d’argent.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
cms/verbs-webp/61575526.webp
céder
De nombreuses vieilles maisons doivent céder la place aux nouvelles.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
cms/verbs-webp/54608740.webp
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
cms/verbs-webp/23257104.webp
pousser
Ils poussent l’homme dans l’eau.
duwen
Ze duwen de man het water in.
cms/verbs-webp/84365550.webp
transporter
Le camion transporte les marchandises.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
cms/verbs-webp/122638846.webp
laisser sans voix
La surprise la laisse sans voix.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
cms/verbs-webp/127554899.webp
préférer
Notre fille ne lit pas de livres ; elle préfère son téléphone.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
cms/verbs-webp/58477450.webp
louer
Il loue sa maison.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
cms/verbs-webp/119913596.webp
donner
Le père veut donner un peu plus d’argent à son fils.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
cms/verbs-webp/95190323.webp
voter
On vote pour ou contre un candidat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.