Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
arriver
De nombreuses personnes arrivent en camping-car pour les vacances.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
trier
J’ai encore beaucoup de papiers à trier.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
inviter
Nous vous invitons à notre fête du Nouvel An.
samenwerken
We werken samen als een team.
travailler ensemble
Nous travaillons ensemble en équipe.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
peindre
Elle a peint ses mains.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
connaître
Elle ne connaît pas l’électricité.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
redoubler
L’étudiant a redoublé une année.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
couvrir
Elle couvre ses cheveux.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
détruire
La tornade détruit de nombreuses maisons.
leiden
Hij leidt graag een team.
diriger
Il aime diriger une équipe.
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
comprendre
J’ai enfin compris la tâche !