Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/116835795.webp
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
arriver
De nombreuses personnes arrivent en camping-car pour les vacances.
cms/verbs-webp/123367774.webp
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
trier
J’ai encore beaucoup de papiers à trier.
cms/verbs-webp/112408678.webp
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
inviter
Nous vous invitons à notre fête du Nouvel An.
cms/verbs-webp/118343897.webp
samenwerken
We werken samen als een team.
travailler ensemble
Nous travaillons ensemble en équipe.
cms/verbs-webp/101742573.webp
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
peindre
Elle a peint ses mains.
cms/verbs-webp/40477981.webp
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
connaître
Elle ne connaît pas l’électricité.
cms/verbs-webp/57481685.webp
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
redoubler
L’étudiant a redoublé une année.
cms/verbs-webp/125319888.webp
bedekken
Ze bedekt haar haar.
couvrir
Elle couvre ses cheveux.
cms/verbs-webp/106515783.webp
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
détruire
La tornade détruit de nombreuses maisons.
cms/verbs-webp/120254624.webp
leiden
Hij leidt graag een team.
diriger
Il aime diriger une équipe.
cms/verbs-webp/40326232.webp
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
comprendre
J’ai enfin compris la tâche !
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mentionner
Le patron a mentionné qu’il le licencierait.