Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
ricordare
Il computer mi ricorda i miei appuntamenti.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
rientrare
Dopo lo shopping, i due rientrano a casa.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
passare
I medici passano dal paziente ogni giorno.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
fermare
La donna ferma un’auto.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
inviare
La merce mi verrà inviata in un pacco.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
diventare
Sono diventati una buona squadra.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
mancare
Mi mancherai tanto!
missen
Ik zal je zo erg missen!
affittare
Sta affittando la sua casa.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
trovare alloggio
Abbiamo trovato alloggio in un hotel economico.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
prestare attenzione
Bisogna prestare attenzione ai segnali stradali.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
fallire
L’azienda probabilmente fallirà presto.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.