Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
like
Hun liker sjokolade mer enn grønnsaker.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
stole på
Vi stoler alle på hverandre.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
kjøpe
De vil kjøpe et hus.
kopen
Ze willen een huis kopen.
reise med tog
Jeg vil reise dit med tog.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
hoppe rundt
Barnet hopper glad rundt.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
mate
Barna mater hesten.
voeden
De kinderen voeden het paard.
snakke
Han snakker til sitt publikum.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
referere
Læreren refererer til eksempelet på tavlen.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
bør
Man bør drikke mye vann.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
parkere
Bilene er parkert i undergrunnen.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
studere
Det er mange kvinner som studerer ved universitetet mitt.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.