Woordenlijst

Leer werkwoorden – Noors

cms/verbs-webp/118868318.webp
like
Hun liker sjokolade mer enn grønnsaker.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
cms/verbs-webp/125116470.webp
stole på
Vi stoler alle på hverandre.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
cms/verbs-webp/92456427.webp
kjøpe
De vil kjøpe et hus.
kopen
Ze willen een huis kopen.
cms/verbs-webp/43483158.webp
reise med tog
Jeg vil reise dit med tog.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
cms/verbs-webp/60395424.webp
hoppe rundt
Barnet hopper glad rundt.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
cms/verbs-webp/120515454.webp
mate
Barna mater hesten.
voeden
De kinderen voeden het paard.
cms/verbs-webp/93169145.webp
snakke
Han snakker til sitt publikum.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
cms/verbs-webp/107996282.webp
referere
Læreren refererer til eksempelet på tavlen.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
cms/verbs-webp/105623533.webp
bør
Man bør drikke mye vann.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
cms/verbs-webp/99196480.webp
parkere
Bilene er parkert i undergrunnen.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
cms/verbs-webp/85623875.webp
studere
Det er mange kvinner som studerer ved universitetet mitt.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
cms/verbs-webp/113253386.webp
fungere
Det fungerte ikke denne gangen.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.