Woordenlijst
Leer werkwoorden – Litouws
žinoti
Vaikai labai smalsūs ir jau daug ką žino.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
susiburti
Gražu, kai du žmonės susirenka.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
bėgti paskui
Mama bėga paskui savo sūnų.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
būti pirmam
Sveikata visada būna pirmoje vietoje!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
atsisakyti
Vaikas atsisako maisto.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
treniruoti
Šuo yra treniruojamas jos.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
palikti
Jie netyčia paliko savo vaiką stotyje.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
vartoti
Ji vartoja gabalėlį pyrago.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
investuoti
Kur turėtume investuoti savo pinigus?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
pristatyti
Jis pristato picas į namus.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
žiūrėti
Visi žiūri į savo telefonus.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.