Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/109542274.webp
laisser passer
Devrait-on laisser passer les réfugiés aux frontières?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
cms/verbs-webp/41019722.webp
rentrer
Après les courses, les deux rentrent chez elles.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
cms/verbs-webp/119847349.webp
entendre
Je ne peux pas t’entendre!
horen
Ik kan je niet horen!
cms/verbs-webp/17624512.webp
s’habituer
Les enfants doivent s’habituer à se brosser les dents.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
cms/verbs-webp/46602585.webp
transporter
Nous transportons les vélos sur le toit de la voiture.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
cms/verbs-webp/47241989.webp
chercher
Ce que tu ne sais pas, tu dois le chercher.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
cms/verbs-webp/5135607.webp
déménager
Le voisin déménage.
verhuizen
De buurman verhuist.
cms/verbs-webp/89635850.webp
composer
Elle a décroché le téléphone et composé le numéro.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
cms/verbs-webp/124274060.webp
laisser
Elle m’a laissé une part de pizza.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
cms/verbs-webp/33688289.webp
laisser entrer
On ne devrait jamais laisser entrer des inconnus.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
cms/verbs-webp/117658590.webp
disparaître
De nombreux animaux ont disparu aujourd’hui.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
cms/verbs-webp/121820740.webp
commencer
Les randonneurs ont commencé tôt le matin.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.