Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
trekken
Hij trekt de slee.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
tellen
Ze telt de munten.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
vormen
We vormen samen een goed team.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.