Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
vertrekken
De trein vertrekt.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.