Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
bidden
Hij bidt in stilte.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
beginnen
De soldaten beginnen.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
rennen
De atleet rent.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
vormen
We vormen samen een goed team.