Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
spelen
Het kind speelt liever alleen.
dragen
De ezel draagt een zware last.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
overnachten
We overnachten in de auto.