Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
draaien
Je mag naar links draaien.
eisen
Hij eist compensatie.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
drukken
Hij drukt op de knop.
plukken
Ze plukte een appel.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.