Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
bidden
Hij bidt in stilte.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
overnachten
We overnachten in de auto.
reizen
We reizen graag door Europa.
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.