Woordenlijst
Pools – Werkwoorden oefenen
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
geloven
Veel mensen geloven in God.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
bereiden
Ze bereidt een taart.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.