Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
springen
Hij sprong in het water.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.