Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.