Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
sturen
Ik stuur je een brief.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.