Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
stoppen
De agente stopt de auto.