Woordenlijst
Grieks – Werkwoorden oefenen
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
doden
Ik zal de vlieg doden!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
op handen zijn
Een ramp is op handen.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.