Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
creer
Muchas personas creen en Dios.
geloven
Veel mensen geloven in God.
salir
El hombre sale.
verlaten
De man vertrekt.
gustar
Al niño le gusta el nuevo juguete.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
terminar
¿Cómo terminamos en esta situación?
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
ceder
Muchas casas antiguas tienen que ceder paso a las nuevas.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
pertenecer
Mi esposa me pertenece.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
resumir
Necesitas resumir los puntos clave de este texto.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
probar
Él quiere probar una fórmula matemática.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
renunciar
Él renunció a su trabajo.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
aparcar
Las bicicletas están aparcadas frente a la casa.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.