Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/119417660.webp
creer
Muchas personas creen en Dios.
geloven
Veel mensen geloven in God.
cms/verbs-webp/102049516.webp
salir
El hombre sale.
verlaten
De man vertrekt.
cms/verbs-webp/21342345.webp
gustar
Al niño le gusta el nuevo juguete.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
cms/verbs-webp/49585460.webp
terminar
¿Cómo terminamos en esta situación?
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
cms/verbs-webp/61575526.webp
ceder
Muchas casas antiguas tienen que ceder paso a las nuevas.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
cms/verbs-webp/27076371.webp
pertenecer
Mi esposa me pertenece.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
cms/verbs-webp/81740345.webp
resumir
Necesitas resumir los puntos clave de este texto.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
cms/verbs-webp/115172580.webp
probar
Él quiere probar una fórmula matemática.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
cms/verbs-webp/44127338.webp
renunciar
Él renunció a su trabajo.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
cms/verbs-webp/92612369.webp
aparcar
Las bicicletas están aparcadas frente a la casa.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
cms/verbs-webp/68761504.webp
revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
cms/verbs-webp/102168061.webp
protestar
La gente protesta contra la injusticia.
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.