Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
salvar
Los médicos pudieron salvar su vida.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
dar
El padre quiere darle a su hijo algo de dinero extra.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
mentir
A menudo miente cuando quiere vender algo.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
escuchar
Él la está escuchando.
luisteren
Hij luistert naar haar.
cantar
Los niños cantan una canción.
zingen
De kinderen zingen een lied.
acostumbrarse
Los niños necesitan acostumbrarse a cepillarse los dientes.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
yacer
Ahí está el castillo, ¡yace justo enfrente!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
liderar
El senderista más experimentado siempre lidera.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
repetir
Mi loro puede repetir mi nombre.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
expresar
Ella quiere expresarle algo a su amiga.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.