Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/123953850.webp
salvar
Los médicos pudieron salvar su vida.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
cms/verbs-webp/119913596.webp
dar
El padre quiere darle a su hijo algo de dinero extra.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
cms/verbs-webp/114231240.webp
mentir
A menudo miente cuando quiere vender algo.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
cms/verbs-webp/98082968.webp
escuchar
Él la está escuchando.
luisteren
Hij luistert naar haar.
cms/verbs-webp/90643537.webp
cantar
Los niños cantan una canción.
zingen
De kinderen zingen een lied.
cms/verbs-webp/17624512.webp
acostumbrarse
Los niños necesitan acostumbrarse a cepillarse los dientes.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
cms/verbs-webp/119501073.webp
yacer
Ahí está el castillo, ¡yace justo enfrente!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
cms/verbs-webp/75487437.webp
liderar
El senderista más experimentado siempre lidera.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
cms/verbs-webp/119269664.webp
aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
cms/verbs-webp/1422019.webp
repetir
Mi loro puede repetir mi nombre.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
cms/verbs-webp/15441410.webp
expresar
Ella quiere expresarle algo a su amiga.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
cms/verbs-webp/100649547.webp
contratar
Al solicitante se le contrató.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.