Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/110322800.webp
hablar mal
Los compañeros de clase hablan mal de ella.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
cms/verbs-webp/56994174.webp
salir
¿Qué sale del huevo?
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
cms/verbs-webp/85871651.webp
necesitar
Urgentemente necesito unas vacaciones; ¡tengo que ir!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
cms/verbs-webp/87205111.webp
apoderarse de
Las langostas se han apoderado.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
cms/verbs-webp/113136810.webp
despachar
Este paquete será despachado pronto.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
cms/verbs-webp/123947269.webp
vigilar
Aquí todo está vigilado por cámaras.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
cms/verbs-webp/63645950.webp
correr
Ella corre todas las mañanas en la playa.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
cms/verbs-webp/79322446.webp
presentar
Él está presentando a su nueva novia a sus padres.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
cms/verbs-webp/43100258.webp
encontrar
A veces se encuentran en la escalera.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
cms/verbs-webp/109657074.webp
ahuyentar
Un cisne ahuyenta a otro.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
cms/verbs-webp/8482344.webp
besar
Él besa al bebé.
kussen
Hij kust de baby.
cms/verbs-webp/86215362.webp
enviar
Esta empresa envía productos por todo el mundo.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.