Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
accept
Credit cards are accepted here.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
hug
He hugs his old father.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
write all over
The artists have written all over the entire wall.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
forget
She’s forgotten his name now.
genieten
Ze geniet van het leven.
enjoy
She enjoys life.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
depart
Our holiday guests departed yesterday.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examine
Blood samples are examined in this lab.
publiceren
Reclame wordt vaak in kranten gepubliceerd.
publish
Advertising is often published in newspapers.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
summarize
You need to summarize the key points from this text.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
prove
He wants to prove a mathematical formula.
denken
Wie denk je dat sterker is?
think
Who do you think is stronger?