Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/79317407.webp
beordre
Han beordrer sin hund.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
cms/verbs-webp/46385710.webp
acceptere
Kreditkort accepteres her.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
cms/verbs-webp/99602458.webp
begrænse
Bør handel begrænses?
beperken
Moet handel worden beperkt?
cms/verbs-webp/43956783.webp
løbe væk
Vores kat løb væk.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
cms/verbs-webp/129300323.webp
røre
Landmanden rører ved sine planter.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/118780425.webp
smage
Køkkenchefen smager på suppen.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
cms/verbs-webp/15441410.webp
ytre sig
Hun vil ytre sig over for sin veninde.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
cms/verbs-webp/113418367.webp
beslutte
Hun kan ikke beslutte, hvilke sko hun skal have på.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
cms/verbs-webp/5135607.webp
flytte ud
Naboerne flytter ud.
verhuizen
De buurman verhuist.
cms/verbs-webp/122632517.webp
gå galt
Alt går galt i dag!
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
cms/verbs-webp/118826642.webp
forklare
Bedstefar forklarer verden for sin barnebarn.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
cms/verbs-webp/109766229.webp
føle
Han føler sig ofte alene.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.