Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
voorberei
Sy berei ’n koek voor.
bereiden
Ze bereidt een taart.
tel
Sy tel die muntstukke.
tellen
Ze telt de munten.
geskik wees
Die pad is nie geskik vir fietsryers nie.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
vergesel
Die hond vergesel hulle.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
lewer
Hy lewer pizzas by huise af.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
verwyder
Die ambagsman het die ou teëls verwyder.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
luister
Hy luister graag na sy swanger vrou se maag.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
aanvaar
Sommige mense wil nie die waarheid aanvaar nie.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
ophou
Ek wil nou begin ophou rook!
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
uitgaan
Die meisies hou daarvan om saam uit te gaan.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
bedek
Die kind bedek homself.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.