Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
met die trein gaan
Ek sal daarheen met die trein gaan.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
sterf
Baie mense sterf in flieks.
sterven
Veel mensen sterven in films.
verbygaan
Die middeleeuse periode het verbygegaan.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
lewer
Ons dogter lewer koerante af gedurende die vakansies.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
verwyder
Die ambagsman het die ou teëls verwyder.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
ontvang
Ek kan baie vinnige internet ontvang.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
deelneem
Hy neem deel aan die wedren.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
bel
Sy kan net bel gedurende haar middagete pouse.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
vergewe
Sy kan hom nooit daarvoor vergewe nie!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
terugstel
Binnekort moet ons die klok weer terugstel.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
verslaan
Die swakker hond is in die geveg verslaan.
verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.