Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
nodig hê
Jy het ’n domkrag nodig om ’n wiel te verander.
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
dank
Ek dank u baie daarvoor!
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
genereer
Ons genereer elektrisiteit met wind en sonlig.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
saamneem
Ons het ’n Kersboom saamgeneem.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
hanteer
Mens moet probleme hanteer.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
ry weg
Sy ry weg in haar motor.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
ontbyt eet
Ons verkies om in die bed te ontbyt.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
hang af
Ystappels hang af van die dak.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
kom na jou toe
Geluk kom na jou toe.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
vermy
Hy moet neute vermy.