Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
tel
Sy tel die muntstukke.
tellen
Ze telt de munten.
bel
Sy kan net bel gedurende haar middagete pouse.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
beheer uitoefen
Ek kan nie te veel geld spandeer nie; ek moet beheer uitoefen.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
skakel af
Sy skakel die elektrisiteit af.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
lê agter
Die tyd van haar jeug lê ver agter.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
trou
Die paartjie het pas getrou.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
lê
Die kinders lê saam in die gras.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
antwoord
Sy het met ’n vraag geantwoord.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
moet
’n Mens moet baie water drink.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
beskryf
Hoe kan mens kleure beskryf?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
trek
My nefie is besig om te trek.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.