Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
lui
Wie het die deurbel gelui?
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
kom na jou toe
Geluk kom na jou toe.
schrijven
Hij schrijft een brief.
skryf
Hy skryf ’n brief.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
stel voor
Hy stel sy nuwe vriendin aan sy ouers voor.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
betaal
Sy betaal aanlyn met ’n kredietkaart.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lieg
Hy lieg dikwels as hy iets wil verkoop.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
terugkeer
Die boemerang het teruggekeer.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
huis toe gaan
Hy gaan huis toe na die werk.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
uitsprei
Hy sprei sy arms wyd uit.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
ontsteld raak
Sy raak ontsteld omdat hy altyd snork.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
veroorsaak
Suiker veroorsaak baie siektes.