Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
ontvang
Ek kan baie vinnige internet ontvang.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
meng
Verskeie bestanddele moet gemeng word.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
wil uitgaan
Die kind wil buitentoe gaan.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
optrek
Die helikopter trek die twee mans op.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
help
Almal help om die tent op te slaan.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
waag
Hulle het gewaag om uit die vliegtuig te spring.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
eis
Hy eis vergoeding.
eisen
Hij eist compensatie.
skep
Hy het ’n model vir die huis geskep.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
verstaan
Ek het uiteindelik die taak verstaan!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
mis
Hy mis sy vriendin baie.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
lees
Ek kan nie sonder brille lees nie.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.