Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
stand up for
The two friends always want to stand up for each other.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
go out
The kids finally want to go outside.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
let go
You must not let go of the grip!
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
pull out
Weeds need to be pulled out.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
burn
He burned a match.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
monitor
Everything is monitored here by cameras.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
repeat
My parrot can repeat my name.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
send off
She wants to send the letter off now.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
forget
She doesn’t want to forget the past.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cut to size
The fabric is being cut to size.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.