Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
se référer
L’enseignant se réfère à l’exemple au tableau.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
découper
Le tissu est découpé à la taille.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
garder
Je garde mon argent dans ma table de nuit.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorer
L’enfant ignore les paroles de sa mère.
missen
Ik zal je zo erg missen!
manquer
Tu vas tellement me manquer!
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
nommer
Combien de pays pouvez-vous nommer?
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
découper
Il faut découper les formes.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
distribuer
Notre fille distribue des journaux pendant les vacances.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
suffire
Une salade me suffit pour le déjeuner.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
représenter
Les avocats représentent leurs clients au tribunal.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
démarrer
Quand le feu est passé au vert, les voitures ont démarré.