Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/107996282.webp
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
se référer
L’enseignant se réfère à l’exemple au tableau.
cms/verbs-webp/122479015.webp
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
découper
Le tissu est découpé à la taille.
cms/verbs-webp/78063066.webp
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
garder
Je garde mon argent dans ma table de nuit.
cms/verbs-webp/71883595.webp
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorer
L’enfant ignore les paroles de sa mère.
cms/verbs-webp/120801514.webp
missen
Ik zal je zo erg missen!
manquer
Tu vas tellement me manquer!
cms/verbs-webp/98977786.webp
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
nommer
Combien de pays pouvez-vous nommer?
cms/verbs-webp/78309507.webp
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
découper
Il faut découper les formes.
cms/verbs-webp/57574620.webp
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
distribuer
Notre fille distribue des journaux pendant les vacances.
cms/verbs-webp/106591766.webp
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
suffire
Une salade me suffit pour le déjeuner.
cms/verbs-webp/68779174.webp
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
représenter
Les avocats représentent leurs clients au tribunal.
cms/verbs-webp/75001292.webp
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
démarrer
Quand le feu est passé au vert, les voitures ont démarré.
cms/verbs-webp/121928809.webp
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
renforcer
La gymnastique renforce les muscles.