Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
proteger
Los niños deben ser protegidos.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
despertar
Acaba de despertar.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
encontrar
Los amigos se encontraron para cenar juntos.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
perseguir
El vaquero persigue a los caballos.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
partir
El barco parte del puerto.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
deletrear
Los niños están aprendiendo a deletrear.
spellen
De kinderen leren spellen.
sugerir
La mujer sugiere algo a su amiga.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
charlar
A menudo charla con su vecino.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
presumir
Le gusta presumir de su dinero.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
cortar
Para la ensalada, tienes que cortar el pepino.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
salir
¿Qué sale del huevo?
uitkomen
Wat komt er uit het ei?