Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
exibir
Arte moderna é exibida aqui.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
beber
Ela bebe chá.
drinken
Ze drinkt thee.
pagar
Ela pagou com cartão de crédito.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
conhecer
Cães estranhos querem se conhecer.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
entender
Não se pode entender tudo sobre computadores.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
conhecer
Ela conhece muitos livros quase de cor.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
chegar
Ele chegou na hora certa.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
devolver
O cachorro devolve o brinquedo.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
praticar
Ele pratica todos os dias com seu skate.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
partir
Quando o sinal mudou, os carros partiram.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
dar
O pai quer dar algum dinheiro extra ao filho.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.